“De uitdagingen van de toekomst vragen om een goed georganiseerde eerstelijn”

Afgelopen zomer is Tamara van Ark aangetreden als minister voor Medische Zorg en Sport. Zeggen dat ze in een hectische periode is gestart, is een understatement. Aan HuisartsenService vertelt de nieuwe minister hoe ze is omgegaan met de coronacrisis, maar ook over de toekomst van de (eerstelijns)zorg in Nederland, kwaliteitsbeleid en regeldruk.

U bent letterlijk middenin de coronacrisis gestart toen u op 9 juli 2020 bent benoemd tot minister voor Medische Zorg En Sport. Hoe heeft dit de manier waarop u te werk bent gegaan beïnvloed?
“Als je middenin een crisis aan zo’n zware taak begint, voelt dat als een heel grote verantwoordelijkheid, maar ook als een grote eer. Je wordt meteen in het diepe gegooid. Vanaf dag een heb ik mij laten bijpraten over de dossiers om zo snel op vlieghoogte te komen. De eerste golf was toen achter de rug, mijn prioriteit lag bij het voorbereiden op de tweede golf. Dat betekende de IC-capaciteit verhogen en zorgen voor genoeg persoonlijke beschermingsmiddelen. Beiden zijn van groot belang voor patiënten én voor zorgprofessionals. Ik ben ook meteen in gesprek gegaan met patiënten en zorgprofessionals, om te horen wat zij nodig hebben. Want juist in zo’n crisis, als er in hoog tempo beslissingen worden genomen, is het belangrijk dat je goed luistert naar de mensen voor wie je het werk doet.”

We zien nu in de maatschappij een tweedeling van mogelijke scenario’s ontstaan. De eerste is dat we voorlopig nog niet van covid-19 af zijn en we ‘nog geruime tijd moeten leren leven’ met het feit dat het er is. De ander is dat er op korte termijn een vaccin komt en we daarna op termijn weer terug kunnen naar het ‘oude normaal’. Wat is wat u betreft de impact van beide scenario’s op de Medische Zorg in Nederland?
“Ook als er binnen een aantal maanden een vaccin is, zullen we nog wel een tijd te maken hebben met covid-19 en de gevolgen daarvan. Niet iedereen kan meteen gevaccineerd worden, dat zal in fases gaan. We moeten daarom goed kijken hoe we het zo kunnen regelen dat we als samenleving de basisregels zo lang mogelijk kunnen volhouden. Als het aantal covid-besmettingen en daarmee ziekenhuisopnames weer toeneemt, dan gaat dit ten koste van de reguliere zorg. Uitstel van reguliere zorg kan leiden tot gezondheidsschade en dat moeten we zoveel mogelijk voorkomen. Ook voor de huisartsen en andere delen van de zorg, bijvoorbeeld de verpleeghuizen, wordt de druk hoger als er meer mensen besmet zijn. Alleen al door ziekte onder het eigen personeel. Daarom is het zo enorm belangrijk om het aantal besmettingen zo laag mogelijk te houden. Want alleen zo is het voor de zorg mogelijk om naast de covid-zorg ook de reguliere zorg door te laten gaan.”

U bent uiteraard niet alleen als minister betrokken, maar ook (net als iedereen) als mens. Wat is de persoonlijke impact die corona op u heeft gemaakt en hoe neemt u die ervaringen mee in uw werkzaamheden?
“De impact is natuurlijk het grootste voor de mensen die zelf ziek zijn of dierbaren hebben verloren. Ik heb het grote geluk dat mij dit tot nu toe bespaard is gebleven. Maar natuurlijk merk ik net als iedereen de gevolgen van deze crisis. Ik heb al een keer een paar dagen in quarantaine gezeten, omdat iemand uit mijn directe omgeving getest moest worden. Gelukkig bleek dit een negatieve testuitslag. Verder verlang ik net als iedereen naar het gewone leven, naar nabijheid. Ik mis mijn vrienden en vooral een knuffel van mijn ouders. Helaas moeten we nog even geduld hebben. Dat is voor mij misschien minder lastig, omdat ik elke dag word geconfronteerd met de impact en gevolgen van covid-19. Door te spreken met patiënten en door te luisteren naar de verhalen van verpleegkundigen en andere professionals uit het veld. Ik heb grote waardering voor hun inzet, ook nu weer, terwijl de druk en de vermoeidheid groot is. Ze staan er voor hun patiënten. Dan weet ik voor wie ik het doe.”

Wat zijn op dit moment wat u betreft de meest prangende zaken waar de Medische Zorg in Nederland mee te kampen heeft en wat wilt u daarin gaan betekenen?
“In dit stadium van de crisis kan verdringing van de reguliere zorg niet meer helemaal worden tegengegaan. Het is belangrijk dat zowel covid-patiënten als andere patiënten, voor wie een behandeling niet kan wachten, op zorg kunnen blijven rekenen. Ons doel is dat we voor patiënten in het hele land dezelfde zorg kunnen garanderen. Daarom is ingezet op een goede spreiding van patiënten om de druk beter te verdelen, goede samenwerking in de regio en inzicht in welke zorg nog beschikbaar is en waar. Daarnaast zijn we hard bezig om meer mensen naar de zorg te halen en kijken we of er meer digitale zorg kan worden ingezet om de zorgverleners te ontlasten. Tot slot is er een opschalingsplan voor uitbreiding van de capaciteit in de zorg. Daarin wordt gewerkt aan het realiseren van nog eens 350 extra IC-bedden en 700 klinische bedden per 1 januari 2021.

De focus ligt nu echt bij het zo goed mogelijk beschikbaar houden van zorg in deze crisis.

Een grote uitdaging is en blijft ook de komende jaren, hoe we voor voldoende mensen in de zorg kunnen zorgen. Kunnen we de werkdruk verlagen door op een andere manier te werken? Hoe geven we verpleegkundigen meer zeggenschap? Wat kan digitale zorg daarbij betekenen en hoe zorgen we ervoor dat e-health ook wordt ingezet? Daar liggen ook echt kansen, denk bijvoorbeeld aan telemonitoring bij hartpatiënten. Door telemonitoring nemen zowel het aantal ziekenhuisopnamen, als het aantal dagen dat patiënten opgenomen worden, sterk af. Dit soort methoden kunnen bij bredere en goede inzet de zorg ontlasten en ervoor zorgen dat we het met elkaar aan blijven kunnen. We zetten alles op alles om mensen zo snel mogelijk de zorg te bieden die ze nodig hebben.”

Als we het dan over e-health hebben; u bent ook verantwoordelijk voor de (verbetering van) ICT in de zorg. Wij merken dat veel huisartsen door de coronacrisis versneld diverse e-health oplossingen implementeren, vaak tot groot genoegen van de patiënt. Maar we horen ook geluiden dat huisartsen na de crisis liefst weer op de oude voet verder gaan. Hoe kijkt u hier tegenaan?
“Ik begrijp dat verandering van werkwijze lastig is, zeker als je die zonder goed plan en zonder de juiste randvoorwaarden start, zoals in de coronacrisis bij sommige praktijken is gebeurd. Tegelijkertijd geven huisartsen aan dat ze technologie die ze voor de crisis al gebruikten (zoals e-consult), vaker willen inzetten. De coronacrisis heeft dus laten zien hoe waardevol slimme zorg en e-health kunnen zijn en hoe snel en voortvarend we de inzet daarvan voor elkaar kunnen krijgen als we de schouders er gezamenlijk onder zetten. En dat is nodig, ook na corona. De krimpende beroepsbevolking, vergrijzing en stijgende zorgkosten vragen om structurele slimme en innovatieve zorg. Ik wil de zorg hierbij ondersteunen, door onder andere in te zetten op implementatiecoaches, verruiming van de regels voor de bekostiging van zorg op afstand, het delen van goede voorbeelden van slimme zorg door ‘Zorg van Nu’ en een voucherregeling voor het opleiden tot digicoach. Ik hoop dat zorgorganisaties het momentum gebruiken om door te pakken en digitaal ondersteunde zorg overal inzetten waar dat wenselijk en mogelijk is.”

Sinds september heeft u ook een coördinerende rol bij de onderwerpen ‘arbeidsmarktbeleid in de zorg’ en ‘regeldruk in de zorg’. Huisartsen lopen op deze punten met regelmaat vast. De regeldruk maakt dat ze minder effectieve behandeltijd voor hun patiënten hebben, krapte op de arbeidsmarkt maakt dat ze steeds lastiger lege plekken in het personeelsbestand kunnen opvullen, of lastiger kunnen opschalen. Hoe zie u op dit gebied de toekomst en hoe is deze ontwikkeling te draaien?
“Om regeldruk tegen te gaan zijn we nu al ruim tweeënhalf jaar bezig met het programma ‘(Ont)Regel de Zorg’. Het programma bestaat uit tien verschillende actieplannen voor tien specifieke sectoren. Een daarvan is gericht op de huisartsenzorg. Recent onderzoek onder zorgpersoneel in de breedte van de zorg laat zien dat de ervaren regeldruk licht verminderd is. Dit is wat mij betreft nog niet voldoende.

Zorgverleners in alle sectoren moeten substantieel minder last hebben van administratieve lasten. Pas dan ben ik tevreden.

Daarnaast zien we inderdaad dat het in verschillende regio’s in Nederland nu al knelt, of dat het in de toekomst gaat knellen om voldoende personeel in de huisartsenzorg te vinden. Gelukkig wordt er hard gewerkt om dat tegen te gaan. We zien goede voorbeelden ontstaan in de regio’s, zoals een tijdelijke praktijkovername door een huisarts of zorgverzekeraar en begeleiding van een zorgverzekeraar bij het stoppen en starten van een praktijk. Om het succes van de inzet in de regio’s te vergroten, gaat VWS samen met de LHV dit jaar en volgend jaar ondersteuning bieden aan acht tot tien zogenaamde knelregio’s. De komende jaren zet ik ook weer in op het opleiden van huisartsen, physician assistants en verpleegkundig specialisten. Dat doen we al een aantal jaren, maar voortzetting daarvan is nodig. Tot slot blijven we zorgbreed werken aan het terugdringen van de personeelstekorten met het Actieprogramma ‘Werken in de Zorg’.”

Als minister bent u ook verantwoordelijk voor kwaliteitsbeleid. Wij merken dat als we huisartsen vragen naar de kwaliteit van de door hen geleverde zorg, dat zij dat vaak niet onder woorden kunnen brengen of kunnen toetsen. Dat geldt voor de zorg die huisartsen zelf verlenen, maar ook voor de zorg van de praktijkondersteuners die zij in dienst hebben. Zou er een manier moeten komen om kwaliteit te toetsen?
“Richtlijnen en zorgstandaarden, opgesteld door de beroepsgroepen zelf, zijn er om aan te geven waar de zorg in ieder geval aan moet voldoen. Daar is kwaliteit onderdeel van. Deze richtlijnen en standaarden worden regelmatig geactualiseerd, zodat ze aansluiten bij de ontwikkelingen in de zorg. De IGJ toetst vervolgens op de kwaliteit van zorg. Ik vind dat hiervoor een belangrijke rol bij de zorgkoepels ligt om over deze standaarden en richtlijnen naar hun achterban te communiceren en ze handvatten te bieden hoe ze kwaliteit inzichtelijk kunnen maken.”

Tenslotte, stel wij spreken u over vijf jaar weer, hoe ziet de Nederlandse eerstelijnszorg er dan idealiter uit?
“Ik vind dat we in Nederland prachtige en toegankelijke zorg hebben met de inzet van en door huisartsen. Het is persoonlijke zorg en dat moeten we koesteren. De uitdagingen van de toekomst vragen om een goed georganiseerde eerstelijn om patiënten optimale zorg te kunnen bieden. Samenwerking tussen zorgverleners is daarbij cruciaal, binnen de eerstelijn maar ook met de tweedelijn. Die ontwikkeling is nu al aan de gang en zal verder groeien. Innovatie speelt hierin een belangrijke rol. Dit geldt ook voor de huisartsenzorg specifiek. Dit kan op meerdere manieren. De LHV, InEen en het NHG hebben een mooi visiedocument gemaakt, waarin zij omschrijven hoe de huisartsenzorg naar meer regionale organisatie en samenwerking kan toe bewegen. Maar dat de huisarts een belangrijke rol blijft spelen als poortwachter voor onze zorg, staat voor mij buiten kijf.”

[Dit artikel verscheen oorspronkelijk in editie 4 van HuisartsenService in 2020 | beeld © Rijksoverheid]

Lees de volledige editie van HuiartsenService #4, 2020 online terug: